Over Ondergaan
Voor hen, die iedere keer weer durven onder te gaan. Die wieren kammen, die vissen proeven, die rusteloos ruiken aan de bodem van de rivieren
Voor hen, die kunnen kijken onder het water, wiens ogen blauw worden bij het zien van hun zielezusters
Zij, die samen komen in groepen om te huilem en te jammeren in de zoete regen
daar dansen zij op tafels met de wilde dieren en wachten zij op hun metgezellen
Voor hen, die op het eerste gezicht te wild, te anders, te raar of te eigen zinnig lijken
Zij, die de oude botten des levens verzamelen, want alles wat gevallen is, heeft waarde. Die de botten des levens bij zich dragen en koesteren, zoeken en liefhebben. Verstoppen en nooit, nooit meer vergeten. Die ze meenemen naar hun geheime plekken en daar vrienden worden met de botte dieren
Ieder kent hen, want dit zijn de reizigers. Zij kennen de kastelen in de woestijnen en de hutten op de heide. Zij kennen het geheim van de giftige planten en de behaarde bomen. Zij beminnen iedere stap die zij zetten en graven hun eigen territorium op uit het wrange zand van de aarde
Voor hen, die niet bang zijn voor andermans geluk of schoonheid
Maar ook, voor hen, die bovenkomen. Met gezworven gezichten, gejutte hoeden en ontstoken handen. Zij die elkaar beminnen en in stilte langs de kusten zwerven
die hun koppen boven het water uit steken en brullen naar de sterren
Zegen, hun wilde trekken, hun anders zijn, hun raarheid en hun eigen zinnigheid
Zegen haar eenzaamheid, haar liefde, haar onbezonnenheid
Moge zij dat altijd weten, Moge zij zich altijd herrineren dat wat zij dan ook op de aarde gebracht, gezworven of gevonden hebben, dit van grote waarde is, zal zijn, altijd zal blijven
Liz April Wijma, rivierenvrouw





