Ik voel dat rivierenvrouw iedere dag verder weg zwemt, tot ze op een gegeven moment niet meer terug komt. Ze heeft waarschijnlijk haar roep gehoord, en is die aan het volgen. Of ze heeft een thuis, een plek, ver onder de diepte waar zij alleen en veilig een tijd wil blijven. Ik wil haar vragen, tijdens de expositie nog eenmaal haar terrotorium af te bakenen, in de galerie aan de brouwershof. Nog een maal met haar handen de bijeen gezworven stenen en botten te ordenen. De vissen op te graven, en op te hangen aan de spijlen van het hemelbed.
Dagelijks, loop ik naar de rivier, en zucht daar zachtjes in haar bloedvaten. Ik fluister naar de lichte trillingen en als het warm is, en ik zin heb laat ik me zo maar in de rivier vallen, met kleren en al. Ik zwem een ronde door het water, ga af en toe onder het water om de vissen te begroeten, om vervolgens weer boven te komen en op de kant te klimmen.
Steeds verder weg, is zij. Ze neemt al afscheid van me. Ik weet dat ze voor altijd bij mij blijft, maar mijn blauwe hart begint langzamer te kloppen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten