We leefden op zonlicht en vruchtenhartjes.
Hij was kalm en lief, maar een avonturier. Avonturiers kunnen onstuimig zijn. Zij was druk en naïf. Ze was zo fel dat ze ontembaar leek. Ze dronken wijn in de vensterbank. Ze rookten en leefden hun leven. Samen woonden zij in het huis van het einde. Nog even en dan ging het tegen de grond. Het huis had kieren en gaten, lekte door zijn bloedvaten en beefte en trilde bij het kleinste zuchtje wind. Hij en zij waren een met het huis. Ze schilderden op de muren, vreeen in het atelier. Ze voelden zich intens verbonden met het huis der einde en aaiden haar muren van binnen en van buiten. Ze huilden bij het idee van de ondergang van het huis. Ze stonden midden in de nacht op, om te dansen in kroegen, haalden kattekwaad uit en leefden het bijdehante nachtleven. Uiteindelijk vielen ze samen in slaap in de kamer met de grote ramen,
Ze werden wakker van het zonlicht en wisten iedere dag weer precies wat hen te doen stond. De liefde voor elkaar en het huis groeide en groeide en ze kropen door het leven als twee witte tijgers.
Maar samen met het verlaten van het huis der einde, hebben we ook de stad verlaten en de witte tijgers. We zullen het huis opnieuw moeten bouwen om hen terug te vinden. Dat kost tijd en energie en we zullen moeten vechten. we zullen zelf de wonden moeten betalen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten